In het kort. Stand 2026: VVPR-bis past onder voorwaarden 18% roerende voorheffing toe op dividenden vanaf het vierde boekjaar. Bij een liquidatiereserve betaal je 10% afzonderlijke aanslag bij aanleg en 9,8% roerende voorheffing bij uitkering onder het nieuwe regime. Timing, wachttermijn, overgangsregels en liquiditeit bepalen welke route past.
Door Vincent Meesters
Winst uit je vennootschap naar privé halen vraagt meer dan nagaan hoeveel geld er beschikbaar is. Stand 2026 bedraagt het gewone tarief van de roerende voorheffing 30%. Twee regelingen kunnen dat tarief verlagen: VVPR-bis en de liquidatiereserve. Beide werden de voorbije jaren aangepast, en niet op hetzelfde moment. Wie met verouderde percentages rekent, komt bedrogen uit.
Dit artikel legt uit hoe beide regelingen er in 2026 uitzien, waarom de wijzigingen op verschillende tijdstippen zijn ingegaan, en welke vragen je best beantwoordt vóór je een uitkering beslist. Voor KMO's en managementvennootschappen is dat vaak het verschil tussen een doordachte en een dure keuze.
Wat is het verschil tussen VVPR-bis en een liquidatiereserve?
Beide regelingen laten een kleine vennootschap toe winst tegen een lager tarief dan 30% naar de aandeelhouder te brengen. De manier waarop verschilt fundamenteel.
VVPR-bis is een verlaagd tarief roerende voorheffing op gewone dividenden, geregeld in artikel 269, § 2 WIB 92. Je betaalt de belasting pas op het moment van uitkering. Er is geen voorafbetaling en geen aparte reserve nodig, maar wel een wachttermijn: het verlaagde tarief geldt pas vanaf het vierde boekjaar na de inbreng.
De liquidatiereserve werkt in twee stappen. Je zet winst na vennootschapsbelasting apart als reserve en betaalt daarop meteen een afzonderlijke aanslag. Bij een latere uitkering, na een wachttermijn, komt daar nog roerende voorheffing bovenop. Je betaalt dus vroeger een deel, maar krijgt in ruil zekerheid en flexibiliteit voor later.
Waarom zijn de tarieven op verschillende momenten gewijzigd?
De twee regelingen volgden elk hun eigen tijdslijn. Dat is cruciaal om te begrijpen welk tarief op jouw dossier van toepassing is, want het hangt af van wanneer je aandelen zijn uitgegeven en wanneer je reserves zijn aangelegd.
VVPR-bis: van 15% naar 18%
Stand 2026 — Programmawet 2026: de roerende voorheffing onder VVPR-bis bedraagt 18% in plaats van de vroegere 15%. Het verlaagde tarief geldt voor dividenden vanaf het vierde boekjaar, op voorwaarde dat zowel de vennootschap als de aandelen aan alle wettelijke voorwaarden voldoen. Reken dus niet langer met 15% voor nieuwe uitkeringen.
Liquidatiereserve: van 6,5% naar 9,8% bij uitkering
Stand 2026 — Programmawet 2026: bij een uitkering die onder het nieuwe regime valt, bedraagt de roerende voorheffing 9,8% in plaats van de vroegere 6,5%. De afzonderlijke aanslag bij aanleg blijft 10% op het bedrag van de aangelegde reserve. Belangrijk: het aanlegjaar en de uitkeringsdatum bepalen samen welk tarief en welke wachttermijn gelden.
Voor oudere reserves kunnen overgangsregels spelen. Een reserve die enkele jaren geleden werd aangelegd, kan bij uitkering onder een ander tarief vallen dan een recente reserve. Laat de historiek daarom per aanslagjaar nakijken vóór de algemene vergadering over een uitkering beslist. Zonder dat overzicht loop je het risico verkeerd te rekenen.
Wanneer kun je VVPR-bis toepassen?
VVPR-bis richt zich op vennootschappen die klein waren op het moment van de kapitaalinbreng, volgens de criteria van artikel 1:24 WVV. Het moet gaan om aandelen die vanaf 1 juli 2013 zijn uitgegeven naar aanleiding van een inbreng in geld.
Concreet moeten onder meer deze voorwaarden vervuld zijn:
- de vennootschap was klein op het ogenblik van de inbreng;
- de aandelen zijn op naam en vertegenwoordigen een inbreng in geld;
- de aandelen verlenen geen voorkeursrecht op het kapitaal of de winst;
- de inbreng is volledig volstort wanneer dat wettelijk vereist is;
- de aandeelhouder heeft de aandelen in principe ononderbroken in volle eigendom behouden;
- de dividenduitkering vindt plaats vanaf het vierde boekjaar na het boekjaar van de inbreng.
Stand 2026 — Programmawet 2026: zijn alle voorwaarden aantoonbaar vervuld, dan bedraagt de roerende voorheffing 18%. Valt een aandeel of uitkering buiten de regeling, dan geldt in beginsel het gewone tarief van 30%, stand 2026.
Controleer niet alleen de statuten, maar ook de oprichtingsakte, het aandelenregister, de volstorting en eventuele overdrachten. Eén formeel gebrek kan volstaan om het verlaagde tarief onbruikbaar te maken.
Hoe werkt de liquidatiereserve in 2026?
Een kleine vennootschap kan haar boekhoudkundige winst na vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk bestemmen als liquidatiereserve. Die reserve komt op een aparte, onbeschikbare rekening van het eigen vermogen te staan.
Stand 2026 bedraagt de afzonderlijke aanslag 10% van het bedrag dat als liquidatiereserve wordt geboekt. Bij een latere uitkering na de toepasselijke wachttermijn bedraagt de roerende voorheffing volgens de Programmawet 2026 9,8% voor uitkeringen onder het nieuwe regime.
Een uitkering vóór het einde van de wachttermijn kan tot een hoger tarief leiden. Bij een uitkering naar aanleiding van vereffening gelden afzonderlijke regels. Controleer daarom voor iedere reserve:
- in welk aanslagjaar de reserve werd aangelegd;
- welke wachttermijn op die reserve van toepassing is;
- of de reserve boekhoudkundig correct en afzonderlijk werd verwerkt;
- welk tarief geldt op de geplande uitkeringsdatum.
De fiscale aangifte, de jaarrekening en de historiek van de reserves moeten op elkaar aansluiten. Een zorgvuldig ingerichte boekhouding maakt die controle mogelijk en versterkt je positie bij een fiscale controle.
Rekenvoorbeeld: wat houdt de aandeelhouder netto over?
Onderstaand vereenvoudigd voorbeeld vertrekt van €100.000 winst na de gewone vennootschapsbelasting. Het houdt, stand 2026, geen rekening met advieskosten, interesten, overgangsregels of andere persoonlijke fiscale gevolgen.
Uitkering via VVPR-bis
Stand 2026 — Programmawet 2026: bij een brutodividend van €100.000 en 18% roerende voorheffing houdt de vennootschap €18.000 in. De aandeelhouder ontvangt netto €82.000. De volledige belasting valt op het uitkeringsmoment.
Uitkering via een liquidatiereserve
Stand 2026: van €100.000 beschikbare winst wordt afgerond €90.909 als liquidatiereserve aangelegd. De afzonderlijke aanslag van 10% op die reserve bedraagt afgerond €9.091 en wordt meteen betaald.
Bij een latere uitkering onder het tarief van 9,8% wordt afgerond €8.909 roerende voorheffing ingehouden op de reserve van €90.909. De aandeelhouder ontvangt netto ongeveer €82.000.
Beide routes leiden in dit voorbeeld tot een totale heffing van ongeveer €18.000 op €100.000 winst. Het praktische verschil zit in de voorwaarden, de wachttermijn, het moment waarop je de belasting betaalt en de flexibiliteit om later uit te keren.
Welke regeling past bij jouw vennootschap?
De laagste nominale heffing is niet automatisch de beste keuze. Je houdt ook rekening met je beschikbare cash, je investeringsplannen, de ouderdom van de aandelen en reserves, en het moment waarop je het geld privé nodig hebt.
Beantwoord vóór een beslissing minstens deze vragen:
- Voldoen de vennootschap en de betrokken aandelen aantoonbaar aan alle VVPR-bisvoorwaarden?
- Vanaf welk boekjaar mag je het verlaagde VVPR-bistarief toepassen?
- Welke liquidatiereserves bestaan er en in welke aanslagjaren werden ze aangelegd?
- Kan de vennootschap de uitkering dragen zonder haar betalingsverplichtingen of investeringsplannen in het gedrang te brengen?
- Zijn er rekening-courantposities, leningen, pensioenplannen of geplande overnames waarmee je rekening moet houden?
Voor een BV moet iedere uitkering bovendien slagen voor de nettoactieftest en de liquiditeitstest van respectievelijk artikel 5:142 en 5:143 WVV. Een onderbouwd bestuursverslag met realistische liquiditeitsprognoses helpt het risico op bestuurdersaansprakelijkheid beperken.
Voor veel KMO's is een meerjarenplanning nuttiger dan een losse beoordeling per dividend. Zo stem je uitkeringen af op investeringen, financieringen en toekomstige kasbehoefte.
Kun je het dividend boeken zonder het meteen uit te betalen?
Je kunt een dividend formeel toekennen, de verschuldigde roerende voorheffing aangeven en betalen, en het nettobedrag als schuld aan de aandeelhouder boeken. Fiscaal is het dividend dan toegekend of betaalbaar gesteld. De latere betaling van die bestaande schuld is in principe geen tweede dividenduitkering.
Die aanpak heeft financiële en juridische gevolgen. De vennootschap krijgt een schuld aan de aandeelhouder, terwijl de roerende voorheffing tijdig betaald moet worden. Ook de voorwaarden van de rekening-courant, een eventuele interestvergoeding en de financiële draagkracht moeten correct worden beoordeeld en vastgelegd.
Een loutere boeking volstaat niet. Er moet een geldige beslissing zijn van de algemene vergadering, aangevuld met de vereiste uitkeringstesten, fiscale aangifte en documentatie. Laat de verwerking vooraf afstemmen via onze accountancy- en adviesdiensten.
En bedrijfsleiders met een managementvennootschap?
Voor een bedrijfsleider met een managementvennootschap is het belangrijk dividenden, bezoldigingen en kostenvergoedingen duidelijk uit elkaar te houden. Een dividend vloeit voort uit je aandeelhouderschap. Een bezoldiging of terugbetaling van eigen kosten van de vennootschap hangt samen met je bestuurs- of beroepsactiviteit.
Kostenvergoedingen kunnen op basis van artikel 31 WIB 92 als belastbare bezoldiging worden beschouwd wanneer je niet kunt aantonen dat het om werkelijke kosten van de vennootschap gaat. Bewaar daarom de berekeningswijze, bewijsstukken, interne afspraken en bestuursbeslissingen.
De fiscale en sociaalrechtelijke behandeling worden afzonderlijk beoordeeld. RSZ-regels voor werknemers zijn niet automatisch toepasbaar op zelfstandige bedrijfsleiders. Een correcte kostenvergoeding vraagt een eigen onderbouwing en mag niet vermengd worden met de keuze tussen VVPR-bis en een liquidatiereserve.
Voor managementvennootschappen is een jaarlijkse vergelijking tussen bezoldiging, dividend, pensioenopbouw, rekening-courant en investeringsbehoeften doorgaans zinvoller dan één uitkeringsvorm apart bekijken.
Besluit: vergelijk meer dan alleen de tarieven
Stand 2026 bedraagt de roerende voorheffing onder VVPR-bis 18% voor dividenden vanaf het vierde boekjaar. Bij een liquidatiereserve geldt een afzonderlijke aanslag van 10% bij aanleg en, voor uitkeringen onder het nieuwe regime, 9,8% roerende voorheffing na de wachttermijn.
Onthoud vooral dat beide regelingen op verschillende momenten wijzigden: het aanlegjaar van je reserves en de uitgiftedatum van je aandelen bepalen welk tarief geldt. Controleer vóór iedere uitkering de VVPR-bisvoorwaarden, de historiek van je liquidatiereserves, de beschikbare liquiditeit en de uitkeringstesten van het WVV. Zo baseer je de keuze op je volledige dossier in plaats van op één tarief.
Wil je de uitkeringsstrategie van jouw vennootschap onderbouwen?
Het team van Meesters Accountants helpt je met de vergelijking tussen VVPR-bis, liquidatiereserves, bezoldiging en andere uitkeringsvormen.
Lees ook: Boekhouder voor managementvennootschappen · Boekhouder voor KMO's
Stand 2026 — onder voorbehoud van wijzigingen in toekomstige programmawetten, overgangsregels of administratieve standpunten.
Nieuws voor elke ondernemer
Vanaf 2026 stijgt de minimumbezoldiging naar €51.000 voor het verlaagde tarief van 20% op de eerste €100.000 winst, maar meer loon is netto niet altijd voordelig.
Sinds 1 januari 2026 is gestructureerde e-facturatie verplicht voor vrijwel alle binnenlandse B2B-facturen. Lees wie onder de regels valt, welke software nodig is en welke sancties gelden.
Per 2026 combineert de liquidatiereserve een aanlegheffing van 10% met 9,8% roerende voorheffing na drie jaar. Je leest de voorwaarden, timing en vergelijking met VVPR-bis.



